De eierboer

eieren
‘Bent u hier voor de eerste keer?’
Een gesoigneerde man in een trui met een bodywarmer erover, duidelijk een Parijzenaar, loopt op me af. Al anderhalf jaar rijd ik na de boodschappen twintig minuten om voor de lekkerste eieren die er bestaan. De kippen lopen hier in een mobiele ren. Als ze al het gras hebben opgegeten wordt de ren verplaatst naar een plek met vers gras.
‘Dat vroeg u me de vorige twee keer ook al,’ antwoord ik hem. De eieren staan in een houten hok met daarnaast een kistje voor het geld. Meestal zie ik niemand als ik mijn eiderdoos pak en het geld door de gleuf laat vallen. Maar soms loopt de eigenaar op het pad en spreekt dan kopers aan.
‘Ah bon’, zegt hij, alsof hij me niet gelooft. ‘En waar woont u dan?’ Ik noem hem de naam van ons dorp en het gehucht waar we wonen en zeg erbij dat ons huis tegenover de wasplaats ligt. Ook dat vroeg hij me de vorige twee keren.
Hij herhaalt de naam van het dorp en haalt zijn schouders op.  Hij heeft onze auto gezien en stelt vast dat we Nederlanders zijn. We vragen hem hoe het komt dat in de buurt van zijn huis  de velden niet onder water staan, zoals onderweg vanuit het stadje waar we onze boodschappen hebben gedaan. Na de enorme regen van gisteren kolkte het riviertje woest langs (en bijna over) de weg.
Hij wijst naar een heuvel in de verte. We knikken instemmend, die plek kennen we.  ‘Dat water stroomt van die plek naar lager gelegen delen van Frankrijk.’ Nu is het onze beurt om ‘ah bon’ te mompelen.
Dan nodigt hij ons uit om iets te drinken. Het is inderdaad bijna lunchtijd, tijd voor een apéro. We besluiten het aanbod te accepteren. Achter hem aan lopen we het huis in, naar een woonkeuken waar een houtvuur brandt in de grote schouw. Ik vraag hem of hij hier al lang woont, want ik zag zijn Parijse kenteken. ‘Ik ben hier geboren,’ zegt hij en wijst naar de bovenverdieping. We gaan zitten aan de ronde tafel en hij schenkt ons een appelsap in. Dan vraagt hij hoe lang we hier al wonen en waar in Nederland woonden. Hij begint de kaart van Nederland te tekenen, met Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Breda. Ik constateer dat hij in Nederland is geweest. ‘Nee, ik lees veel’ repliceert hij. Hij vertelt over Nederlandse schrijvers die in deze buurt wonen. Het zijn er best veel. Hij vertelt over een Nederlandse schrijver die een boek heeft geschreven over een van de Bourgondische hertogen. Ik vertel hem dat ik een boek heb geschreven over de Bourgogne en leg uit dat een Franse vertaling wel het plan is, maar dat ik nog geen uitgever heb gevonden die het vertaalwerk deels voor zijn rekening wil nemen. Hij gaat nog even door op de schrijver over de Bourgondische hertogen.
Als ons glas leeg is maken we aanstalten om te vertrekken. Ik vraag hem nog waar hij het idee van een verplaatsbare kippenren vandaan heeft. ‘Zwitserland,’ grijnst hij. En hij vertelt hoe hij daar een boer ontmoette die zo te werk ging. Dat zit zo, zijn vriendin woont in Geneve. ‘Dat is een eind weg,’ zeg ik. Dat is geen probleem voor hem. ‘U houdt van vrouwen op een afstand,’ zeg ik brutaal en hij glimlacht. ‘Ja’. Mijn lief vraagt naar zijn koeien en wil weten of er kalveren zijn. Hij zegt dat er eergisteren één geboren is, maar dat die de volgende ochtend was gestorven. ‘Dat komt vaker voor’, zegt hij. Honderd koeien heeft hij. Niet genoeg om van te leven. ‘Het liefst deed ik alles met de kruiwagen, maar met die schaal heb je gewoon machines nodig. Die gaan steeds minder lang mee. En je kunt ze niet meer zelf repareren want alles is elektronisch.’
‘Dus u leeft eigenlijk van de eieren?’
Hij moet hartelijk lachen. ‘Zonder eieren zou het heel moeilijk zijn. Morgen sta ik op de markt in L. Daar  is het altijd heel druk. Tussen acht en twaalf heb ik zelfs geen tijd voor een petit café.’ We wensen hem een goede verkoop, halen onze dozen met eieren op en zwaaien naar hem, terwijl hij zich naar de koeienstal begeeft.